|
Bij de onderzeebootbestrijding, een van de voornaamste taken van onze Koninklijke Marine binnen het NAVO-verband, speelde Hr.Ms. Karel Doorman een belangrijke rol. Voor dit doel was het schip uitgerust met vliegtuigen voor de opsporing en de vernietiging van onderzeeboten. Aanvankelijk verdeeld over twee type vliegtuigen, zoals de Avenger-verkenner en de Avenger-aanvaller en later beschikbaar in een type vliegtuig de Grumman Tracker, waarbij het zogenaamde “hunter-killersysteem” was samengevoegd. Ook heel belangrijk voor het aantal vliegtuigen aan boord. Men had nu maar ruimte nodig voor één vliegtuig, waar men daarvoor ruimte nodig had voor twee vliegtuigen.
Buiten de vliegtuigen waren ook de bovenwater schepen uitgerust met apparatuur voor de opsporing en vernietiging van onderzeeboten. Wanneer zij echter binnen de actieradius van de bovenwater schepen zijn gekomen voor gebruik van dieptebommen, zijn de onderzeeboten gevaarlijk dicht in de buurt gekomen. Met behulp van de snellere vliegtuigen is de bestrijdings actieradius veel groter geworden en het gevaar voor de schepen afgenomen. Ook Hr.Ms. Karel Doorman had zijn onderzeebootbestrijdingscentrale (O.B. centrale) op het J-dek in moot 1 (zie dekindelingen). De DOM-ruimte bevond zich via doorgangen en luiken op het N-dek in moot 1. Het afluistermechanisme bevond zich zo ver mogelijk naar de boeg aan de onderzijde van het schip. Nadeel hiervan was een vaste diepte waarop men de geluidsgolven kon uitzenden en weer opvangen. Dit in tegenstelling tot de sonar in de helikopter die men dieper onder water kon laten zakken.
Door middel van het vliegkampschip konden de vliegtuigen en helikopters naar gebieden op zee worden gebracht die vanaf de wal nauwelijks bereikbaar zouden zijn of dat de vliegtuigen daar maar een relatief korte tijd operationeel konden zijn. Men moest uiteraard ook weer terug, dus de helft van de totale actieradius kon maar worden benut. Door nu de vliegtuigen naar het operatiegebied te varen kon men de actieradius van de vliegtuigen veel efficienter gebruiken. Met recht een vliegveld in zee die bovendien betrekkelijk snel verplaatsbaar was.
Zowel de vliegtuigen als de helikopters waren uitgerust met diverse opsporingsapparatuur en aanvalswapens. De Grumman Trackers waren uitgerust met diverse sonoboeien (6) die het vliegtuig in een bepaald verband kon uitwerpen in zee. Deze bleven in zee drijven als een soort dobber bij het vissen. Het geluid van een onderzeeboot werd opgevangen en door middel van een kleine zender doorgegeven aan het vliegtuig. Op deze wijze kon globaal de positie van een onderzeeboot worden gepeild. Voor een nauwkeuriger plaatsbepaling was het vliegtuig uitgerust met de MAD-boom (3) (Magnetic Anomaly Detection), welke vanuit het staartstuk kon worden uitgeschroven. Dit om de invloed van het eigen vliegtuig te verminderen cq op te heffen. De Tracker vloog hierbij laag over zee met uitgeschoven MAD-boom en zocht op deze wijze naar een afwijkend aardmagnetisme beeld. Deze verstoring cq veranderingen in het aardmagnetisme werd veroorzaakt door de stalen onderzeeboot.
(Foto 0332a)
Zie voor uitleg van alle nummers de pagina “Grumman trackers in de lucht”
Wanneer een onderzeeboot gebruik maakte van de periscoop of snuiver-installatie kon deze worden opgespoord door de grote radar (5), die men vanuit de buik van het vliegtuig kon laten zakken. Deze was geschikt voor het opsporen van kleine voorwerpen. Uiteraard kon de onderzeeboot ook worden waargenomen door de radar als deze boven water voer. Dit snuiveren, zodat de diesel kon draaien bij onderwater vaart, was riskant voor de onderzeeboot. Meestal gebeurde het opladen van de accu’s doormiddel van de diesel-generator dan ook ‘s nachts. Voor het ‘zien’ in de nachtelijke uren was het vliegtuig uitgerust met een zoeklicht (9). Dit was ook goed bruikbaar bij het eventueel opsporen van drenkelingen in het donker.
De Sikorsky S-58 was verder uitgerust met een zogenaamde “dipping of dunky sonar”, die men door middel van een lier, vanuit een stilhangende helikopter in zee kon laten zakken. Dit was een andere lier dan de reddingslier aan de zijkant van de helikopter. De sonar had zijn eigen lier. De sonoboeien van het vliegtuig waren afhankelijk van het geluid door de onderzeeboot voortgebracht, maar de sonar van de helikopter kon de zee actief afspeuren op onderzeeboten, ook als deze stil lag en geen geluid voortbracht. De sonar is een soort onderwater radar die geluidsgolven uitzendt en de geweerkaatste signalen weer opvangt. De helikopter kon snel op diverse plaatsen een peiling uitvoeren en zo vrij nauwkeurig de plaats en/of koers van een onderzeeboot bepalen. Voordeel van de ‘dipping-sonar’ was dat men deze dieper in zee kon laten zakken dan de sonar van de schepen.
De sonar is uitgevonden door de Fransman Paul Langevin. Deze kaatst geluidsgolven terug tot op een afstand van 10 kilometer, met een snelheid van 1500 meter/seconde en dat is vier maal sneller dan door de lucht. Net als bij radar kan ook de afstand tot het object (onderzeeboot) worden berekend en of het object zich verplaatst (beweegt) het zgn “Dopplereffect”.
Zowel in het vliegtuig als in de helikopter werden de ontvangen signalen van de opsporingsapparatuur verwerkt en beoordeeld door de speciaal daarvoor opgeleide operators. De bemanningen van alle vliegtuigen bestonden uit twee piloten en twee onderzeebootbestrijding operators. Wanneer het vliegtuig met de MAD-boom een onderzeeboot signaleerde, werd die plaats gemarkeerd met een zogenaamde rookkaars, die in zee bleef drijven als markeerpunt. Door meerdere peilingen en markeerpunten had het vliegtuig zicht op koers en snelheid van de onderzeeboot. Dit was zeer belangrijk om de trefkans bij de aanval te verhogen.
Door de snelle communicatie van alle verschillende opsporingseenheden met de centrales aan boord van het vliegkampschip kon snel de positie en identificatie van de onderzeeboot plaatsvinden.
(foto 0036) De heli 143 laat zijn sonar in het water zakken om de zee af te speuren naar een onderzeeboot.
Hierna kon het sein voor de aanval worden gegeven. Om de onder water varende onderzeeboot uit te schakelen had het vliegtuig de beschikking over dieptebommen of vliegtuig-torpedo’s (7). Wanneer een onderzeeboot boven water kwam had het vliegtuig de beschikking over 6 raketten (8) om deze alsnog uit te schakelen. De onderzeebootjagers waren uitgerust met dieptebomraketwerpers en dieptebomrekken. Ook het vliegkampschip zelf beschikte over twee dieptebomrekken op het halfdek. Ook de Sikorsky S-58 kon worden uitgerust met een torpedo.
(foto 0038) Een dieptebom die men vanaf Hr.Ms. Karel Doorman in zee heeft laten vallen, komt tot ontploffing.
Voor de bestrijding van de onderzeeboten werden diverse bemanningsleden speciaal opgeleid. Deze waren ingedeeld op de diverse schepen maar maakten dus ook deel uit van de vliegtuig- en helikopterbemanningen.
Ingezonden tekst van Joep Fraats met foto’s van de webmaster:
Ik verklap geen staatsgeheimen want deze technieken zijn al jaren geleden achterhaald, tegenwoordig bestaan er veel geavanceerdere technieken voor het opsporen van onderwaterstoomboten.
Sonoboeien:
Sonoboeien waren ronde metalen kokers met daarin een zender die onderwatergeluiden doorgaf aan de sono-operator (telegrafist) in het vliegtuig. Deze boeien werden door het vliegtuig meegenomen in de sonobouylaunchers (afwerpinstallatie) die zich aan de achterkant van de motorgondels bevonden.
(foto 1810) Achterzijde motorgondel van Tracker bij traditiekamer MLD.
Het afwerpen werd gedaan d.m.v. een veer mechanisme waardoor de voorwaartse snelheid van het vliegtuig werd gecompenseerd en de boei dus t.o.v. de aarde recht naar beneden viel (dit werd "dead-drop" genoemd. Het afwerpen werd electronisch doorgegeven aan de radar en op het scherm gemarkeerd zodat men altijd globaal kon bijhouden waar de boeien lagen.
(foto 1811) Opbergplaats sonoboeien in motorgondel.
Als de boei het vliegtuig had verlaten ontvouwde zich aan de bovenkant vier bladen waardoor een soort propellertje ontstond dat de val van de boei afremde en er voor zorgde dat hij rechtstandig in het water terechtkwam. Zodra de sonoboei het water raakte werd door de klap een deksel aan de onderkant uitgeworpen en ontrolde zich een kabel met daaraan een hydrofoon (microfoon die op waterdruk werkt). Deze hydrofoon gaf dan via de zender onderzeeërgeluiden door aan het vliegtuig. In die tijd stond de techniek voor het opsporen van onderzeeërs nog in de kinderschoenen en de door ons toegepaste technieken stonden niet eens in kinderschoenen maar zaten nog in de kruipfase, maar dat terzijde. Uiteraard hoorde zo'n onderzeeër het vliegtuig ook en ook de klap waarmee de boeien het water raakten. Hun tactiek was dan om stil te gaan liggen om zodoende zo weinig mogelijk geluid te produceren. In dat geval gooide men een PDC (practical depthcharge = een dieptebommetje met een lichte springlading) in de nabijheid van een van de boeien. Ooit heeft een bemanning kans gezien om ongewild zo'n PDC in de tower van een sub te droppen, de baas van die boot "was not amused" want ondanks dat ze maar een lichte lading hadden konden zij in een beperkte ruimte toch een hoop schade aanrichten. De ontploffing werd door de apparatuur aan boord van het vliegtuig geregistreerd en ook de echo die terugkwam van een in de buurt gelegen sub. Door dit proces te herhalen met nog een stel boeien kon door driehoeksmeting de globale positie van een sub bepaald worden. Je wist dan wel waar hij ongeveer zat maar je had absoluut geen idee hoe diep hij zat. Naast de zender zat er op de sonoboei ook nog een lampje dat begon te knipperen zodra de boei geactiveerd was zodat deze ’s nachts te zien was. Daarnaast zat er in de boei een zogenaamde dyemarker (kleurmarkeerder), een brok kleurstof dat in water oploste waardoor een fel rode vlek rondom de boei ontstond waardoor deze overdag duidelijker zichtbaar was. De zender zat in een waterdicht gedeelte van de boei dat met zoutproppen van de buitenlucht was afgesloten, in het water losten deze zoutproppen langzaam op waardoor de boei na een bepaalde tijd zonk.
Joep Fraats.
Nadere informatie van oud onderzeebootbestrijders is zeer welkom.
|