|
Inleiding overgeven goederen en/of olie.
De schepen bij de marine waren toegerust met installaties en materieel om goederen en/of personen tussen de schepen onderling over te geven. Hierin speelden bevoorradingschepen een belangrijke rol. Hierdoor konden de schepen van een smaldeel langer op zee doorbrengen zonder de noodzaak een haven binnen te lopen voor bevoorrading. Hr.Ms. Karel Doorman was vaak voor andere schepen van het smaldeel de bevoorrader. Zo werden de kleinere smaldeelschepen vaak voorzien van stookolie vanuit de tanks op de Doorman. Buiten olie werden er ook andere noodzakelijke goederen over gegeven. Ook personen konden van het ene naar het andere schip worden overgezet. Dit alles werd het overgeven lichte lasten genoemd. Op deze wijze kon het smaldeel als geheel langer op zee doorbrengen.
Dit overgeven van de noodzakelijk goederen gebeurde door de schepen naast elkaar te laten varen en tussen deze schepen lijnen te spannen. Dit overgeven gebeurde ook wel gelijktijdig tussen meerdere schepen. Niet alleen tussen schepen van het Nederlandse smaldeel maar ook met schepen van andere landen, bijvoorbeeld tijdens internationale oefeningen.
Overgeven lichte lasten (goederen) en/of personen.
In smaldeelverband was het vaak noodzakelijk om buiten olie, ook andere goederen tussen de schepen onderling uit te wisselen. Vaak werden goederen vanaf Hr. Ms. Karel Doorman naar de andere schepen van het smaldeel over gebracht. Dit waren bijvoorbeeld onderdelen, filmcassettes, post voor of vanuit Nederland. Bepaalde goederen of personen konden gemakkelijk per vliegtuig of helikopter aangevoerd worden naar de Doorman.
Indien deze goederen of een deel daarvan en/of personen naar een ander schip moesten, dan kwam dit andere schip naast de Doorman varen met dezelfde vaart en koers. Er werden dan op beide schepen voorbereidingen getroffen. Dit bestond uit het bevestigen van de driepoot, waarover de hoofdkabel tussen de schepen werd gespannen.
Aan boord van de Doorman konden er in totaal drie van dergelijke driepoten worden opgesteld. Aan stuurboordzijde een voor het eiland en een achter het eiland. De derde kon geplaatst worden aan bakboordzijde tegenover het eiland. De driepoten werden opgeborgen tegen de opbouw van het eiland aan vliegdekzijde. Op enkele foto’s van het eiland zijn deze goed te zien. Op het voorschip werd met de hand een lijn voorzien van markeringen gespannen gehouden tussen beide schepen. Aan de hand van deze afstandslijn kon men vanaf de navigatiebruggen de afstand tussen de schepen onder kontrole houden.
Er werd eerst een dunne lijn, met een speciaal geweer, overgeschoten naar een naast de Doorman varend schip, bijvoorbeeld een onderzeebootjager. Via deze lijn werd dan een steviger lijn of kabel overgetrokken. Hiermee kon men dan de noodzakelijke kabels tussen de schepen uitwisselen. De hoofdkabel tussen de schepen werd op spanning gehouden door een groep bemanningsleden die aan de kabel hingen, zoals bij een touwtrek wedstrijd. Op deze manier kon de hoofdkabel, ondanks de bewegingen van de schepen, keurig op spanning worden gehouden. De hoofdkabel had op de jager een vaste verbinding en op de Doorman werd hij dus handmatig op spanning gehouden.
Langs deze gespannen hoofdkabel liep een katrol die men op beide schepen naar zich toe kon trekken of laten vieren. Onder deze katrol hingen dan goederen of een persoon in een zogenaamd “broekje”. Voor het overzetten van ZKH Prins Bernhard werd er een speciale stoel aan de katrol gehangen. Voorbeelden van dit overgeven van goederen en personen zijn opgenomen in het fotoalbum “Overgeven lichte lasten”
Olie laden.
Ook bij het innemen van olie uit een tanker en/of bevoorradingsschip of afgeven aan een ander schip van het smaldeel, kwamen de schepen naast elkaar varen. Het principe is hetzelfde als bij het overgeven van lichte lasten. Alleen was er geen driepoot nodig. Ook hoefden er geen bemanningsleden aan de hoofdkabel te hangen.
Er werd weer een dunne lijn overgeschoten en met behulp van deze lijn werd een steviger kabel overtrokken. Met deze kabel werd dan de aan een laadboom hangende olieslang(en) naar het ontvangende schip getrokken. De olieslang hing met verschillende kabels aan de laadboom. De olieslang hing in grote lussen in twee grote beugels welke met kabels via de laadboom met lieren waren verbonden. Op deze wijze kon men de hangende olieslang naar het ontvangende schip laten vieren. Het ontvangen schip trok de olieslang ook naar hun aansluiting.
Als de Doorman olie innam vanuit een tanker of bevoorradingsschip gebeurde dit wel met een dubbele olieslang. Het afgevende schip gaf dus de olieslang over en gebruikte daarvoor haar laadboom en lieren. Alleen olie afgevende schepen hadden dergelijke installaties aan boord, zo ook de Doorman.
Voor op het schip werd door bemanningsleden ook weer een afstandslijn vastgehouden. Dit overgeven van olie gebeurde zeer regelmatig en trok ook altijd veel belangstellenden op beide schepen. Het was ook een imposant gezicht en zorgde ook voor wat afwisseling op zee.
Het gebeurde ook wel dat meer dan twee schepen bij een dergelijke actie betrokken waren. Ook de Doorman heeft wel gelijktijdig aan twee onderzeebootjagers olie en/of goederen overgegeven.
Een zeer bekende foto hiervan staat onder andere afgebeeld op een folder van de AVOM. De Doorman had op verschillende plaatsen aansluitingen voor de olieslangen. Ook achter op het vliegdek waren aansluitingen en via een soort glijbaan aan de achterkant van het vliegdek, kon men een olieslang geleiden en aankoppelen. Voor opnames van olie overgeven en gebruik van de laadboom zie het fotoalbum “Olie laden”.
Zie ook de fotoseries mbt deze onderwerpen onder de rubrieken “ontvangen foto’s” en “foto-album 2”.
“
|