|
Op deze pagina een verslag over de patrouilles van de onderzeebootjager Hr.Ms. Limburg.
Op patrouille met Hr.Ms. Limburg in Nederlands Nieuw-Guinea
Door G.A.B. Lamsvelt
LTZ1 b.d. Lamsvelt is geboren in 1929 en werd in 1950 benoemd tot officier. In 1956 specialiseerde hij zich in navigatie, gevechtsinformatie en vliegtuigdirectie. Als NGID-officier heeft hij varende plaatsingen gehad aan boord van toenmalige kruisers, B-jagers (waaronder Hr.Ms. Limburg) en fregatten en het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman. In 1979 ging hij met leeftijdsontslag.
Inleiding
In januari 1962 bestond smaldeel V uit het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman, de B-jagers Hr.Ms. Limburg en Hr.Ms. Groningen alsmede uit de onderzeeboten Hr.Ms. Dolfijn en Hr.Ms. Zeeleeuw. Dit smaldeel vertrok die maand voor een drie maanden durende oefen- en vlagvertoonreis naar West-Indië. De eskadercommandant was commandeur A. van Es, de latere staatssecretaris van Defensie. De bemanningen van de laatste vier schepen konden toen niet bevroeden dat hun vaarprogramma "wat" gewijzigd zou worden en dat zij pas tegen het eind van 1962 thuis zouden varen. Aan twee maanden relaxed varen in de tropen werden zes maanden serieus werk toegevoegd.
Regeren is vooruitzien. Met deze blik op de toekomst had de minister van Defensie de marineleiding opgedragen reeds enige voorzorgmaatregelen te treffen voor het geval dat… . Daags voor vertrek uit Den Helder werd onder strikte geheimhouding een uitbreiding van het benodigde zeekaartenpakket verstrekt, boeken voor een wereldreis en zelfs een kwikbarometer, om de komst van tropische orkanen te kunnen waarnemen. Alleen de commandant, de navigatie / operatieofficier (NAVOP) en de verbindingsofficier (VO) waren op de hoogte, natuurlijk bevroedde de kaartenpaai het een en ander, want hij moest al die kaarten bijwerken.
De Nederlandse regering had op 12 maart 1962 besloten dat de verdediging van het verre Nieuw-Guinea met onder andere enige vlooteenheden moest worden versterkt tegen de agressie van Indonesië. Na havenbezoeken aan Aruba, Paramaribo en Cartagena kwam op 14 maart een bericht van de eskadercommandant dat de jagers met spoed langszij de Karel Doorman een BOZ-operatie van 7 uur zouden uitvoeren. Het oorlogsgereedmaken impliceerde naast het overhevelen van materieel (extra munitie) ook het op oorlogssterkte brengen van de bemanning van circa 200 naar 280 man! Voor de Limburg had dat enige gevolgen voor de etat-major. Met name de eskadercommandant zou zelf inschepen, vergezeld door twee stafofficieren. Twee officieren werden overgeplaatst naar de Karel Doorman om hutruimte vrij te maken en vervolgens verhuisden verschillende officieren van hut. Met spoed werden de beide B-jagers en de onderzeeboten via het Panama kanaal – voorlopig – naar de westkust van de Verenigde Staten gezonden. Voorlopig om daar enig vlagvertoon te houden (ook was Canada in beeld) maar eigenlijk om te voorkomen dat de Amerikanen de vaart door het Panama kanaal zouden verhinderen. De Verenigde Staten stonden op dat moment bepaald niet vriendelijk tegenover de Nederlandse politiek inzake Nieuw-Guinea. Het Panama Kanaal leverde geen probleem op en op 24 maart arriveerden beide jagers in San Diego in afwachting van de voortzetting van de reis. Via Honolulu (Hawai), Midway en Guam werd koers gezet naar Hollandia. In iedere haven werd slechts twaalf uur binnengelegen om brandstof in te nemen.
De dreiging
Om het geheel in het juiste perspectief te plaatsen laat ik enkele belangrijke acties van de Indonesische zijde de revue passeren. Op kleine schaal begonnen de infiltraties over zee in 1960 om eind 1961 te ontaarden in wat grotere acties. Zij vonden voornamelijk plaats ten westen van de Vogelkop nabij Sorong, op de eilanden Waigeo en Gag. Op 15 januari 1962 probeerden drie motortorpedoboten van de Kei-eilanden op de Vlakke Hoek (oost van Kaimana) een 150-tal infiltranten aan wal te brengen. De inlichtingendienst (MARID) van de staf in Hollandia had er tijdig lucht van gekregen en daarom werden de fregatten Hr.Ms. Evertsen en Hr.Ms. Kortenaer tijdig aldaar geposteerd om deze poging te pareren. Dat lukte, één schip werd in brand geschoten en zonk. De twee anderen kozen het hazenpad.
Op 26 april 1962 werden de eerste parachutisten neergelaten op het schiereiland Onin tussen Fakfak en Kaimana en even later bij Sorong; totaal ongeveer 500 man. Deze plaatsen werden verdedigd door eenheden van de Koninklijke Landmacht, maar de mariniers deden het zware werk in de bossen, om de groepen op te sporen, te vernietigen of gevangen te nemen. In de periode 13 tot 17 mei werden op kleinere schaal parachutisten afgeworpen bij Fakfak; hierbij werden zes Dakota's dagelijks ingezet, mede om eerdere infiltranten te bevoorraden. Deze vluchten werden begeleid door Mitchell bommenwerpers. Er zijn toen ook enkele pogingen geweest infiltranten door jagers of fregatten in de buurt van Kaimana aan wal te zetten, maar deze pogingen zijn waarschijnlijk vanwege de hoge zeegang afgeblazen. Op 14 mei hebben de Hr.Ms. Utrecht en de Hr.Ms. Limburg een snel vaartuig met twintig man onderschept. De Utrecht voerde de krijgsgevangen af naar Sorong terwijl de Limburg het vaartuig naar Fakfak sleepte. Op 24 juni werden met Hercules transportvliegtuigen ongeveer 200 man neergelaten bij Merauke (zuidkust) en dit werd op 13 en 14 augustus herhaald met ongeveer 130 man.
De Indonesische luchtmacht, die van het vliegveld Amahai op Ceram vloog, vormde pas tegen het einde een bedreiging. De Ilyushin bommenwerpers, de eerder genoemde Mitchells, de Mustang jachtvliegtuigen en de incidentele MIG straaljager waren eerder nieuwsgierig dan kwaadaardig tijdens hun verkenningen en begeleidende rol. Hierbij kwamen ze wel eens binnen de 10.000 meter, waarop onze kanons in actie kwamen, of binnen de 4000 meter, waarbinnen de 40 mm mitrailleurs schoten. Voor zover bekend heeft geen enkel vliegtuig de schepen beschoten. Wel is het voorgekomen dat patrouillerende Neptunes werden belaagd door Mustangs of Migs. Deze werden vanuit het radarstation Bula op Ceram gedirigeerd. Meestal konden de Neptunes in de nacht op aanwijzing van de B-jager belast met air-control het gevaar ontwijken of een veilig heenkomen zoeken in de wolken. De Limburg had hier driemaal mee van doen. Op 17 augustus 1962 zijn de vijandelijkheden gestaakt.
Onderweg naar de vijand
In Hollandia gaf de staf van de regionale bevelhebber uitleg over de stand van zaken. Zij waren blij met de versterking met 2 B-jagers (feitelijk 3 want Hr.Ms. Friesland was een week eerder uit Nederland aangekomen om formeel de enige B-jager "aan het front" Hr.Ms. Utrecht af te lossen) en de twee onderzeeboten die onderweg waren. De Commandant der Zeemacht in Nederlands Nieuw-Guinea (COSTRING) was schout-bij-nacht L.E.H. Reeser, die ons een "schone taak" toewenste. En dat hebben we geweten! De Limburg maakte in 1962 twee langdurige patrouilles aan het westelijke front van 55 dagen! De beide onderzeeboten zijn voornamelijk voor inlichtingen werkzaamheden in Indonesische wateren ingezet.
Maar de eerste twee dagen in Hollandia waren uiterst plezierig; het was immers Koninginnedag. In de ochtend was de parade met de Volksraad vertegenwoordigers in deftige (Europese winter over-) kleding, een receptie bij de Gouverneur en ook nog een ten huize van de schout-bij-nacht. In de avond was er een feest in de jachtclub, zowaar in tropen-avondbaadje. Dit feest duurde tot in de vroege uurtjes. Oorlog? Geen weet van!
Feitelijk kwam de Limburg pas begin mei in het westelijk zeegebied. Na Hollandia te hebben verlaten op 15 april werd opgestoomd naar Biak voor een dag bevoorraden en brandstof optoppen. De Hr.Ms. Groningen ging wel meteen richting Sorong maar COSTRING had verordonneerd dat de Limburg met zijn bekende goed afgesteld LW radar (bereik 180 mijl), ca 50 mijl westelijk van Biak als Airborne Early Warning schip moest optreden. Met een heuse Commandeur (en staf) aan boord die niets liever wilde doen dan actie te voeren aan 't zeefront. Aangezien er geen reëel gevaar te verwachten was van een aanval door TU-16/TUPOLEV bommenwerpers gebaseerd op Halmahera, zou deze zinloze en geestdodende patrouille, die 10 dagen heeft geduurd, wel eens een "bedenksel" zijn geweest om vooral te laten blijken dat COSTRING en zijn staf geen behoefte hadden aan een extra staf op zee. Op 28 april werd de Limburg naar Hollandia ontboden en gingen de commandeur en zijn stafofficier artillerie van boord, naar Nederland. De OB-officier bleef aan boord als wachtofficier en lid van het operationeel team. Ondanks het feit dat hij mijn oudste jaar was, kreeg ik de éénmanshut terug. Evenwel heb ik de hut een week of drie later aan de ARTO gegund daar weldra bleek dat acties mij vaak noopten beschikbaar te blijven in de commandocentrale of op de brug. Verder deelde ik de hut met de VO. Zodoende kreeg ik inzicht in vele geheime/zeer geheime berichten die wij samen decodeerden. De INTREPS waren boeiend. Vooral toen het ging spannen de laatste maand en de Limburg vanaf 23 juli alleen in het zuidwesten werd gestationeerd
De eigen "vijand"
Zodoende kwam Hr.Ms. Limburg begin mei in de buurt van Sorong en weldra waren de poppen aan het dansen. Dat begon met een beschieting met een 40 mm mitrailleur - voor de boeg - op een scheepsecho die geen herkenningssein beantwoordde. Op 2000 meter werd het vuur geopend in een echte tropenbui. In de nacht waren de flitsen van de vlak boven zee exploderende (VT) granaten te zien. Ook het lichtspoor was prachtig ! Het bleek de Hr.Ms. Snellius te zijn met een Verpel (70 mariniers) aan boord bestemd voor Fakfak. Zij had zich niet gehouden aan haar vaarschema en lag 25 mijl voor op haar gegiste positie. Uiteraard 100 excuses aan
de commandant voor het spektakel. Het was een bijzonder ernstig voorval want de opgegeven bakshoek (ongeveer groen 50 over stuurboord ten opzichte van de voorliggende koers) was natte vingerwerk. Met gevolg dat de "riedel" niet voor de boeg werd geschoten, maar recht over het schip heen. Om ca. 1000 meter achter het schip te ontploffen.
Normaliter behelst een schot voor de boeg één schot met een kanon. Afgesproken was dat in het geval een 40 mm mitrailleur het werk zou doen, een klip van vier patronen zou worden afgevuurd (een "riedel"). Wat deed zich voor in de commandocentrale tussen de commandant en ondergetekende? Persoonlijk vermoedde ik dat het wel eens de Snellius zou kunnen zijn. Aangezien het geen kwaad kan het op oorlogswacht staand personeel wakker te houden/maken, adviseerde ik aan de commandant om de 4 patronen er uit te jassen. "Geef maar een riedel" zei deze (in de opgegeven bakshoek). Dit was aanleiding voor de RAPP (V) die in verbinding stond met de stukscommandant van de mitrailleur om op groen 50, een "riedel" af te vuren. De correcte opdracht: "Een riedel van vier patronen" kwam niet over, daar op het moment suprème de verbinding werd verbroken bij het baksen van de opstelling. Met 240 schoten per minuut wil het wel. Voordat ik op de vastvuur schellen had kunnen drukken, waren er al 8 clips (van 4) uit. Er was geen alarm gegeven maar het hele schip was klaar wakker en vanuit de NBCD-centrale kwam al rap een telefoontje of zij op Y of Z sluiting moesten overgaan. De HMK belde ook, “moesten we van 2 op 4 ketels overgaan?”
Het komt onder oorlogsomstandigheden veelvuldig voor dat de eigen strijdkrachten onder vuur worden genomen. Zo ook het voorval met een Neptune. Neptunes namen ongeveer eens per week post mee in een waterdichte koker die in het water nabij het schip werd gegooid. Tussen de eilanden Misool en Waigeo varend kwam er een contact op de LW radar uit een verdachte richting, die weldra binnen de 10. 000 meter dreigde te komen. Prompt werd alarm gegeven en aangezet tot 27 mijl. Op de gestelde vraag over de UHF-verbinding: "What aircraft, give your RECCO signal" werd niet gereageerd. Op het radarscherm was ook geen IFF (Identification Friend or Foe) markering te zien bij het contact. De commandant gaf vanaf de brug de order aan de ARTO in de commandocentrale om met de voortoren te vuren. Het scheelde maar een haartje of de 12 cm granaten waren de lucht ingeslingerd toen (zwakjes) de bekende approach procedure doorkwam met de juiste waarmerking "3 x sorry" en op de brug een Neptune visueel waarneembaar werd. Aftrap alarm. Het is een gunners delight-verhaal want bijna de helft van de bemanning was bij de artillerie betrokken. Drie divisie oorlogswacht met toren 1 (2 maal 12 cm) bezet inclusief het munitiemagazijn en het seinstation plus (van de zes), twee 40 mm mitrailleurs bemand, vergde zoal bijna 50 man per wacht. Minder leuk was dat het seinstation niet naar behoren functioneerde. Hierdoor was toren 2 op het achterschip niet aangesloten op de centrale vuurleiding en was het alleen handhydraulisch te bedienen.
Vliegtuigactiviteiten
In de periode van 14 tot en met 17 mei 1962, toen vele vliegtuigbewegingen naar en terug van het schiereiland Onin plaatsvonden, ontstond er eindelijk actie. COSTRING gaf een directief uit aan de schepen om de aanvalscapaciteit van de Neptunes te benutten op langzame vliegtuigen (zoals de Dakota's en Mitchells), mits dit geen gevaar opleverende voor de eigen Neptunes. Deze waren in staat om hun patrouillesnelheid (ca 175 knopen) voor korte tijd te verdubbelen door de straalmotoren bij te zetten. De B-jagers hadden een uitstekende radar opsporingscapaciteit en een ND (Navigatie vliegtuigDirectie) officier aan boord die de bevoegdheid heeft als air controller op te treden en in het bijzonder onder full control intercepties uit te doen voeren. Aldus geschiedde op de vroege ochtend van 17 mei. Acht Dakota's en Mitchells, die gevolgd werden op de LW radar, bleken een uur later Onin te verlaten. Nabij was de Neptune die op een interceptie van de Hr.Ms. Groningen de achtervolging inzette maar het contact kwijt raakte. Beide contacten op de LW-01 en DA radars van de Limburg verschenen op ca 40 mijl afstand (de Dakota laag boven zee vliegend) en ondergetekende nam de control over. De Grongingen bevond zich ongeveer 80 mijl om de Zuid en was derhalve niet hoorbaar op de UHF-verbinding.
Op dat moment rapporteerde de vlieger van de Neptune Tally-Ho Bogey (zie vijand) zowel op eigen radar als in zicht en schoot behendig met een salvo van zijn mitrailleurs de Dakota nabij de Friesland in zee. Dit schip pikte de zeven bemanningsleden uit zee op. Ik was inmiddels begonnen met een interceptie met de andere Neptune op drie contacten die richting Ceram vlogen. De vlieger rapporteerde een Mitchell en twee Dakota's in zicht te hebben en koos voor de Mitchell. Het één en ander vond inmiddels plaats op ca 50 mijl afstand en ik verloor derhalve contact. Na enige tijd kwam hij weer in de lucht en stelde met enige spijt dat zijn mitrailleurs na één salvo weigerden waardoor hij geen kill kon claimen. Jammer van de geslaagde interceptie. Dit optreden van de Neptune-fighters had tot gevolg dat
- de Indonesische luchtmacht niet meer overdag vloog maar ‘s nachts, meestal rond 23.00 uur of 05.00 uur
- de veel snellere Herculessen werden gebruikt.
Het bezwaar voor hen was dat veel van deze toestellen gestationeerd waren op het verder weg gelegen eiland Ambon. Bovendien was het neerlaten van parachutisten en goederen in het donker boven het oerwoud geen sinecure. Veel parachutisten lieten het leven in de boomtoppen. Door deze acties van onze zijde konden de Neptunes ongestoord door gaan met hun patrouilles. Er waren er twee on patrol, die om de vijf uur afvlogen vanaf het vliegveld te Biak. De duur van de patrouilles was ongeveer 10 uur (1800 mijl).
Patrouillegang op het westelijk zeefront
Weken achtereen op station patrouilleren, het vaak van hot naar her varen waar dat gewenst werd door de staf aan de hand van informatie, of gevolg geven aan een OPORD verstrekt door de Task Unit (TU) commandant, is niet bepaald interessant om op in te gaan. Het was 80% van de tijd super saai. Derhalve beperk ik me tot enkele voorvallen. De (meestal drie) B-jagers op station waren TU één en, voorzover aanwezig, twee fregatten TU twee. De lengte van het patrouillegebied tussen de eilanden Misool en Kaap van den Bosch was ongeveer 250 mijl. Het kwam echter wel eens voor dat de schepen gehergroepeerd werden en zo werd eens een TU drie geformeerd, bestaande uit de Limburg, de Groningen en het fregat Evertsen. Deze TU werd geformeerd toen een infiltratie over zee werd verwacht van snelle boten conform de eerdere poging op de Vlakke Hoek. De commandant van de Evertsen was de oudste in anciënniteit en ging er van uit dat hij het voor het zeggen had. Hij gaf een missive uit aan de twee B-jager commandanten om, vergezeld van hun NAVOP's en VO's, in een baai ten anker liggend ten 20.00 uur, beraad te houden. Wat hij niet wist door een "foutje" van zijn VO, die het aanvullend telegram niet had ontcijferd, dat de commandant van de Limburg wegens het beschikken over "betere faciliteiten", was aangewezen om als commandant van de TU op te treden. Op zulke momenten heeft alcohol een verzachtende uitwerking op de gemoedstoestand! De actie ging niet door zoals werd verwacht, waarschijnlijk kwam dit omdat het weer nogal was gaan opspelen. We gingen van 4 ketels, goed voor 35 mijl, terug naar de standaard van twee. De TU drie werd ontbonden en met de misthoorns namen we afscheid van elkaar waardoor circa 500 witte papagaaien zich fladderend en krijsend los maakte van het oerwoud. Prachtig !
Op 19 mei werd de Limburg naar Kokas, een gehucht aan de zuidkant van de MacCluer Golf (bekend van een actie tegen motortorpedoboten in 1960) gedirigeerd. Er waren daar twee, nogal ernstig, gewonden, die naar Sorong moesten worden overgevaren. De één was een marinier en de ander een parachutist met een gebroken heup, die al twee weken was meegezeuld. Zoals gebruikelijk komt dan de inlichtingenofficier in actie (bij ons was dat de VO) die aan de middagtafel vertelde dat toen hij in de ziekenboeg kwam, hij twee niet van elkaar te onderscheiden lieden zag liggen, zo uit de kampong. Maar één van hen zweette peentjes (had ook koorts!) en prevelde telkens "Katian toean, saja sakit betoel". Voor niet-Bahasa kenners:"Heb medelijden met mij meneer, ik ben echt ziek".
Na in Sorong te zijn aangekomen, kreeg de bemanning de gelegenheid aan wal te gaan. Een derde van de bemanning mocht passagieren. Er was niets (meer) te beleven en uit balorigheid hebben enkele bemanningsleden een kroeg "verbouwd". Hiervoor werden er twee door de politie opgepakt en deze gingen de cel in. Ik kreeg de opdracht om, samen met de provoost, deze lieden te bevrijden. Na enig gesteggel met de Nederlandse inspecteur kreeg ik ze los. Overigens waren de zeven bemanningsleden van de twee dagen eerder neergeschoten Dakota er ook (nog) ondergebracht. De 20 infiltranten, die door Hr.Ms. Utrecht op 14 mei waren onderschept, waren reeds per LCPR scheep gegaan naar het verzamelkamp "Luilekker oord, senang betoel” (vertaald: goed toeven) op een eiland vlak bij Biak. Aan het einde van de vijandelijkheden waren daar zo'n 1000 man ondergebracht.
Apart aandacht wil ik schenken aan de tanker Duivendrecht. Dit schip voorzag ons van brandstof. Het marinedetachement aan boord uitstekend werk. De burgerbemanning bestond uit de gezagvoerder en vier overigen. Het schip lag immer in een baai ten anker en heeft bij elkaar 80 maal als oliekoe gefungeerd. Zij was de leverancier van een bierproduct. Bovendien verbleef daar aan boord een VLOP of een VLAM die bij toerbeurt voor de geestelijke noden meevoer. Incidenteel waren er door OS&O verstrekte films (niet meer dan twee tegelijk!) en ook wel eens cabaretgezelschap dat zijn best deed met grollen en grappen de stemming er in te houden.
De Limburg en de Groningen hadden opdracht om de brandstofreserve niet onder de 50% te laten komen. In een bepaalde periode zelfs niet onder de 70 %. Dit had te maken met een zeer geheim plan om met een hit and run action in de nacht het vliegveld Amahai op het eiland Ceram te bombarderen. Het mocht niet van Den Haag (kabinetsbesluit) ofschoon COSTRING er twee maal om had gevraagd. Het zal een ongeveer twaalf maal zijn geweest dat de Limburg, om de 5 à 7 dagen, het een en ander tot haar nam. Op 16 mei kwam het schip voor het eerst langszij. Meteen was er paniek! Tussen vijf en zeven uur in de ochtend waren er veel vliegtuigcontacten (zie eerder), met een snelle ontkoppeling kozen we weer voor de open zee. Daar kwam op ongeveer 2500 meter een Mitchell langs vliegen. De Alarmrol werd op post geroepen en we schoten met de drie SB mitrailleurs en er gingen zowaar (of was het zomaar?) acht 12 cm granaten de lucht in, vier salvo's afkomstig van toren 1. We schoten mis en de bemanning van die kist had een lucky day.
Voeding met gevolgen
Er waren vele fraaie baaien op het schiereiland Onin. De olietanker Duivendrecht ging periodiek van de een naar de andere baai. Ook de Limburg heeft los van het olieladen drie maal een tocht gemaakt naar een baai, niet zo zeer om de natuur in deze tropische fjorden te aanschouwen, maar om inkopen te doen bij de gehuchten. Want we leefden na verloop van tijd op de droge rantsoenen, goed voor 60 dagen. Alles uit blik, een pakje of een jute zak. Wel was er gelukkig nog rijst of macaroni. De rest van de blikken - aardappelen, spinazie, sperzieboontjes en vlees met ranzige jus (de zogenaamde vliegende schijven) –werd open getrokken als bleek dat zij voor consumptie in aanmerking kwam. Deze blikken waren oud en verroest (uit het jaar 1949) en stonden zo nu en dan bol van de gisting. Ons dagelijks brood bevatten soms spikkels (torren). De OVA had toestemming gekregen om het monotone menu te veraangenamen, vandaar. Het leverde niet veel op. Nauwelijks verse groente voor één dag, fruit voor krap drie dagen. De bottelier was een slimme vogel; hij verruilde de spinazieblikken voor kankoeng, een soort tropische spinazie. Voor de Papoea's was het kennelijk een lekkernij – de blikopeners werden er bij geleverd. De beschikbare gelden werden aangewend voor vers vlees. De spichtige varkentjes welke vaak dienden als koopwaar of bruidschat, de "koers" was naar verluidt, één vrouw = 15 magere biggen. Dat vlees was echt smullen. Sateh's met pikante (sambal) pindasaus, die ingrediënten waren er. Petje af voor de koks en hofmeesters die kans zagen er altijd wat van te maken. We hebben ook gepoogd wat vis te verschalken door de per jaar toegestane twee dieptebommen nabij een rif te laten ploffen, maar ook dat viel tegen.
Domweg omdat er geen voeding meer aan boord was werd ons vergund van 21 tot 28 juni op verhaal te komen in Manokwari. Een ontspannen week zwemmen en snorkelen; kennismaken met de jungle en zijn prachtige flora en fauna en een BBQ op de mariniersbasis! Manokwari was de groentetuin van dit Rijksdeel geweest. Het was in 1953 opgezet maar in 1962 al weer voor de helft overwoekerd door het geweld van de natuur.
De Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht
De statische verdediging van de voornaamste plaatsen Sorong, Fakfak, Kaimana en Merauke was opgedragen aan de ongeveer 10.000 militairen van de Koninklijke Landmacht. Er was niets (meer) te beleven, de door het thuisfront via een geldinzamelactie verstrekte radiootjes werden verpatst voor lokale brouwsels - sterker dan de toegestane bier rantsoenen. De Koninklijke Luchtmacht was gestationeerd in Biak. Dit zorgde via de LUA-eenheden met wat lichte wapens voor de luchtverdediging, maar ze hadden wel vliegtuigen: 14 (dag)straaljagers type Hunter. Er waren twee vliegveld(jes) waar zij ook van konden opereren, Jefman bij Sorong en Utarom bij Kaimana. Op 14 juni werden twee Hunters voor een week gedetacheerd op Jefman om de Friesland bij te staan, die een bombardement uitvoerde op infiltranten op het eiland Misool. Eind juni werden er weer twee gedetacheerd in Kaimana, ook maar voor een week. Dat had te maken met de paraatheid van de vliegers op 10 minuten (soms zelfs vijf !) van zonsopkomst tot zonsondergang. Dat was geen pretje in de brandende hitte of een stortbui. De Limburg was air control-schip en er werd twee maal een scramble (spoed vertrek) verordonneerd om de paraatheid te testen, de verveling te onderbreken en op elkaar intercepties te doen. Dat ging voortreffelijk.
Op een nacht begin augustus vlogen 2 Herculessen onverwacht recht over ons heen en hoorden wij de piloten onderling praten (de VHF frequenties waren ons bekend) en zei een Indisch-Nederlands sprekende: "Kijk daar ligt de Limburg en die kan maar "sedikit" (beperkt) schieten!" In de mêlee van het op post komen van de gevechtswacht, kwam er geen schot uit! Omdat een korporaal vuurleidingskonstabel in het seinstation, niet op zijn post was. Hij kwam wel maar was hondsberoerd en daarnaast was de verbinding met Toren 2 niet goed. Jammer, want de Herculessen waren sitting ducks op ca 1500 meter hoogte. In de nacht van 13 op 14 augustus verschenen weer twee echo's op de LW radar. Ze zaten hoog, het bereik was 180 mijl. De echo's waren door hun snelheid en geschatte hoogte herkenbaar als Herculessen. Zij vlogen in de richting van de Vlakke Hoek, in het verlengde hiervan lag Hollandia. Met de bekende FLASH (eerste) vijands- en aanvullende meldingen werd de track gerapporteerd. Na een half uur vlogen ze om de oost richting Merauke. Daar werden ongeveer 130 parachutisten afgeworpen. Wij lichtten op een aparte verbinding de KL aldaar in.
Op 15 augustus kreeg de Limburg opdracht met spoed om de noord te varen naar Waigeo. Daar bleken twee prauwen (met 100 PK buitenboord motoren) met infiltranten te zijn vertrokken terwijl zij gijzelaars aan boord hadden. Het zouden enige mannen maar ook vier vrouwen zijn. Een daarvan was de vrouw van de kepala kampong (hoofd van het gehucht) en hij was des duivels. Hij stond er op met ons mee te varen in de achtervolging, krijgshaftig met speer. We hebben ze niet gezien.
Op 17 augustus kreeg het schip opdracht een bovenwater varende Indonesische onderzeeboot te begeleiden naar Hollandia. Het staken van de vijandelijkheden was van kracht geworden en dat betekende voor de bemanning opbergen van de brandwerende kledingstukken, de helmen en sedert de laatste maand dragen van lang khaki, terug naar kort khaki. Uiteraard waren de OB-ers in hun sas te kunnen "pingen" op de Wiskey onderzeeboot. We mochten bij Biak afhaken, want de voedsel toestand was weer acuut. We hadden 53 dagen daarvoor in Manokwari voor het laatst voeding ingenomen.
TER AFSLUITING.
Er was een andere reden dat we naar Biak moesten. De Limburg was van het begin af aan geëquipeerd met speciale radio apparatuur om de Indonesische verbindingen af te luisteren. We hadden zelfs een aantal extra specialisten van het luisterstation in Biak aan boord. Het is waarschijnlijk om die reden dat de Limburg in de laatste fase alleen in het zuidwesten verbleef als vooruitgeschoven post om de MARID te kunnen blijven voorzien van informatie. Ons schip zou als eerste van de varende eenheden naar Nederland vertrekken en werd vol gepropt met de geheime apparatuur waarmee de MARID had gewerkt. Er kwam nog meer bij toen we naar Hollandia werden gedirigeerd en daar door de staf werden gedebriefd. Daar hoorden we het ongelofelijke wat de marineleiding in Den Haag voor ons in petto had. De Limburg ging naar Canada (dus toch !) voor een bezoek van een week aan Port Victoria. Dat was een grandioze tijd om op verhaal te komen. Maar dat was wel een "omweg" van een dikke twee weken extra vaartijd alvorens we in Nederland aan konden komen.
We vertrokken met enige Papoea relikwieën, orchideeën en "loeries", kleine papagaaien, naar zeggen 75 stuks. Deze bleken in Canada goud waard te zijn en gingen voor 100 dollar van de hand. Daar was de arts niet zo blij mee, hij had immers deze beesten opgegeven in de gezondheidspapieren. Later (weer) in San Diego moest hij tegenover de douanebeambte verklaren dat er geen enkele meer in leven was. Ze hadden van de waggelganzen, bekend als beschermde Goeney birds, de "snot" opgelopen in Midway.
Via het bekende en mooie Panamakanaal kwamen we in Willemstad, Curaçao aan We zouden daar slechts enkele dagen blijven. Weer hadden we het mis! We bleven twee weken omdat het stationsschip bij de blokkade was betrokken tijdens de Cuba crisis. En wat doet een CZMNA zonder een schip? We hebben dus lekker gewaterskied, gezeild en onderwater gedoken. Bovendien heb ik daar vrienden bezocht omdat Curaçao mij niet onbekend was van wegen een varende torn in 1953 - 1955 aan boord Hr.Ms. Van Speijk en twee bezoeken in 1957 en 1959 met het smaldeel V aan boord van Hr.Ms. De Zeven Provinciën en Hr.Ms. Karel Doorman.
Eind oktober waren we dan eindelijk in Den Helder. Het gezin was uitgebreid met een derde dochter. Bij het ledigen van de "sok" (spaargeld) kon de oude auto uit 1948 vervangen worden door een Opel Caravan uit 1959. Na de uitdienststelling van het schip genoten we verlof om begin 1963 naar de nieuwe plaatsingen te gaan. Dat werd voor mij Amsterdam. Een driejarige walplaatsing, na van de 12 jaar er bijna 10 te hebben gevaren.
NASCHRIFT 1
Achteraf filosoferende over de operaties in het verre Oosten, denk ik wel eens hoe Soekarno ons veel eerder op de knieën had kunnen krijgen. Gewoon door uitputting. De tropische vochtige atmosfeer zorgde voor veel valse contacten vooral op de ZW (zeewaarschuwings-) radar. In het begin zagen we met 40 mijl per uur over het scherm MTB's aankomen en als het achteraf vogels bleken te zijn, vlogen die met ca 30 mijl per uur. We hebben ongeveer 200 contacten onderzocht die voor prauwen (of een onderzeebootperiscoop) werden gehouden, maar dat bleken drijvende palmbomen te zijn. Als Soekarno er duizenden van had laten kappen, waren we nergens meer geweest. De contacten moesten onderzocht worden want je kon nooit weten. ‘s Nachts was het een probleem van de allereerste orde; beklemmend!
Naschrift 2
Ik kan er niet om heen om de marine en haar personeel te prijzen. De flexibiliteit en het aanpassingsvermogen van de organisatie om in te spelen op whatever is fenomenaal. In het bijzonder dienen de mariniers te worden vermeld die in het oerwoud gezwoegd hebben om de infiltranten onschadelijk te maken. Dat was soms echt afzien! De bemanning van de Limburg - ik neem aan dat het opgeld doet voor de bemanningen van de andere schepen - hebben een ongekende saamhorigheid betoond onder - ook langdurig op zee - niet gemakkelijke omstandigheden. Er werd weinig gemord, als er maar bier aan boord was. En dat was er! Als parate en ingespeelde eenheid zijn er genoeg incidenten en tekortkomingen geweest welke voor verbetering vatbaar waren. Een goede lering en daar moet je het van hebben. Jammer dat door internationale politieke druk de Papoea's er niet beter van zijn geworden. Maar de eerlijkheid gebied te stellen: we hadden de overmacht van de Indonesische strijdkrachten niet kunnen tegen houden. De vraag "zou 't bloed vergieten de moeite waard zijn geweest?" moet ik beantwoorden met nee! Nu niet en toen ook niet.
Voetnoot
Ik heb dankbaar gebruik gemaakt van data en de volgorde van evenementen zoals deze zich hebben voorgedaan in de omvattende periode, die ontleend zijn aan het boekwerk "Patrouilleren voor de Papoea's. De Koninklijke Marine in Nederlands Nieuw-Guinea 1960 - 1962, een bijdrage tot de Nederlandse marinegeschiedenis." De persoonlijk touch, inzichten, commentaren alsmede enige puntigheden zijn voor rekening van de scribent.
|